Sinds januari 2005 schrijft Anna Woltz eens in de zes weken een column voor het Betoog van de Volkskrant. Zes auteurs, die allemaal in een ander decennium geboren zijn, delen deze plek in de krant. Om beurten schrijven ze over hun eigen generatie - over kinderen, uitgaan, rimpels, honden, God, afstuderen, dromen en doodgaan.
Als peuter vertelde ik mijn ouders: 'Als ik groot ben en nog geen baby heb, blijf ik toch bij jullie wonen.' Het ging me om mijn kleine zusje. Ik was ervan overtuigd dat ze altijd klein zou blijven, en dat ze altijd mijn babybehoefte zou kunnen vervullen. Ik had het mis. Gelukkig werd mijn babyhonger later minder acuut, maar ik weet nog steeds dat ik kinderen wil. Mijn zusje mag dan zo stom zijn geweest om op te groeien, maar ooit zal ik weer bij een baby in huis wonen.
Gek eigenlijk, dat ik er niet over na hoef te denken of ik kinderen wil, want zoveel minderjarigen ken ik niet. Sterker nog: ik leef al jaren in een kinderwoestijn. Maar juist de laatste tijd heb ik er een paar ontmoet, en dat was verhelderend. De eerste leerde ik kennen op een Leidse afstudeerborrel; ze was het driejarige nichtje van de verse doctorandus, had een alerte blik in de ogen en was hartverscheurend minuscuul - iets waar ik stiekem jaloers op ben, aangezien ik vanaf het eerste begin op een andere schaal gebouwd was en mensen mij nooit als peuter herkend hebben.
De handen van alle vriendinnen jeukten om dit kleine meisje aan te raken, en de ogen van mijn ook aanwezige zusje begonnen te stralen. 'Kun je niet ook zo'n nichtje voor me maken?' siste ze me toe. Maar dat kon ik niet. Ik kon alleen maar belust toekijken en het duurde een hele tijd voordat ik naar het meisje toe durfde te gaan. Eindelijk vroeg ik toch maar aan de driejarige of ik haar misschien zou mogen optillen; ik waarschuwde haar dat het wel eng zou zijn, omdat ik ont-zet-tend lang ben. Dat was een schot in de roos. De rest van de avond liep ik met een peuter op de heup, die naar alle gasten riep: 'Wij zijn hééél groot!'. De volgende dag had ik tergende spierpijn in beide armen en was het opeens een weloverwogen keuze geworden: ik wil kinderen. Eigenhandig gebaard, geadopteerd, gestolen of gedoneerd, dat weet ik nog niet. Maar ze komen.
Die beslissing werd bevestigd door een fenomeen waar ik me kortgeleden bewust van werd. Ik was op een centrum waar kinderen met leerproblemen begeleid worden, en het viel me op hoe ongelooflijk aardig de volwassen begeleiders met de kinderen omgingen. Ze waren vriendelijk, verstandig, zelfverzekerd en zagen er gelukkig uit. Toen ik de begeleiders die ochtend voor het eerst ontmoette, hadden we elkaar kritisch en afwachtend bekeken. Er vielen stiltes. Maar zodra de kinderen binnenkwamen, begonnen we te stralen - ik ook, ik kon het voelen aan mijn mondhoeken. 'Kijk eens Stephan,' zei de begeleidster vrolijk. 'We hebben bezoek!' Ze klonk veel hartelijker dan toen we alleen maar met volwassenen waren. 'En wat doe je als je een gast hebt? Dan stel je je natuurlijk voor!'
Dit dialoogje klinkt overdreven opgewekt, maar het was oprecht en normaal. Wanneer er kinderen in de buurt zijn, schudden volwassenen veel overtollige ballast van zich af en veranderen ze opeens in hartelijke mensen, die zich niet meer druk maken over eigen onzekerheden en verlegenheid. Ik weet dat dit niet voor alle volwassenen geldt, en dat sommige kinderen er slechts voor zorgen dat grote mensen veranderen in gefrustreerde schreeuwlelijken. Maar ik ken hoopgevend veel mensen die opbloeien door kinderen.
Ik wilde dat grote mensen vaker naar mij keken zoals ik ze naar kinderen zie kijken. Ik wilde dat ík zo kon lachen naar onbekende volwassenen. Ik sta hekserig kritisch tegenover elke beweging die mensen boven de achttien maken, maak me druk over mijn uiterlijk wanneer meerderjarigen naar me kijken en zelden lach ik zonder bijbedoeling naar onbekenden. Maar alles verandert wanneer die onbekende drie is, of zes, of tien.
Mijn conclusie is tweeledig. Ik ga vaker net zo hartelijk doen tegen mensen boven de achttien als tegen mensen onder de achttien. En over een jaar of vijf of tien wil ik een paar wezens aan de wereldpopulatie toevoegen naar wie jullie allemaal mogen stralen.